Verslag van de Open GROZ-avond met Olivia Rutazibwa,

di 19 maart 2013 in De Semse

 

O. Rutazibwa stelt zich voor

-          geboren en getogen in België à spreekt vanuit westerse opvoeding en ervaringen

-          doctorandus Politieke & Sociale Wetenschappen (binnenkort doctor), journalist MO*

-          ouders van Rwanda. De genocide van 1994 werd mee beleefd door de familie.

-          Tijdens haar masters begon Olivia de verbanden te onderzoeken tussen genocide, internationale interventies, R2P, en heropbouw in Rwanda en in Somalië

 

I.                   R2P ( Responsability to Protect), verantwoordelijkheid om te beschermen

 

Tijdens de grote crisissen in Somalië (1993), Rwanda (1994) en Srebrenica (1995) was de Internationale Gemeenschap tekort geschoten in bescherming tegen systematische en grootschalige schending van mensenrechten.

De Internationale Commissie voor Interventie en Soevereiniteit zette in 2001 het concept R2P op de politieke agenda. Met de Conventie R2P van de Wereldtop in 2005 werd het voorheen absolute karakter van het soevereiniteitsbeginsel doorbroken in de wereldpolitiek.  Niet langer staan de staten centraal, maar ook de burgers. Interventie wordt gerechtvaardigd met ethische motieven. Heden is R2P wel een politieke norm geworden, maar nog geen afdwingbaar internationaal recht. De toepassing hangt af van politieke keuzes en dit is te zien bij de recente internationale beslissingen ten opzichte van vb. Libië, Syrië ….

 

  1. R2P en Ontwikkeling

R2P gaat niet alleen over humanitaire interventie, maar ook over preventie. Ontwikkeling in de brede zin (democratie, goed bestuur, mensenrechten en economische groei) moet mee helpen om conflicten te voorkomen. Internationale bijstand moet dus meehelpen en krijgt naast ‘ad hoc’ interventie een bijkomende rol in de opbouw van goed politiek bestuur, economie, bestrijding van corruptie.

 

  1. Problemen met R2P

- In de ethische bedoelingen van interventie, hulp en ontwikkelingssamenwerking, zit een ingebakken vorm van ongelijkheid: de hulpverleners (westen, wij) vertrekken vanuit de (onbewuste) vooronderstelling dat de betrokkenen niet in staat zijn om       zelf het doel te bereiken.

- Het einddoel van de hulp is gestoeld op een vorm van copy / paste: alhoewel programma’s lichtjes kunnen verschillen, worden overal dezelfde sjablonen van democratisering, capacity building e.a. toegepast, ook al zijn de plaatselijke situaties en contexten vaak heel verschillend.

- Paradox: door hulp die o.a. tot democratisering moet leiden worden democratische banden doorgeknipt.

·         Intern: gebrek aan inspraak. De lokale leiders krijgen geldstromen van buitenaf en moeten eerder verantwoording afleggen tegenover de hulpverleners dan tegenover  hun bevolking die relatief weinig belastingen betaalt in verhouding tot de grote sommen die van buitenaf komen. Hierdoor heeft de bevolking dus minder invloed.

·         Extern: gebrek aan evaluatie en verantwoording. Het zijn de hulpverleners die oordelen of het resultaat aan hun normen voldoet. Het oordeel vertrekt vaak minder uit de bezorgdheid of er wel echt en duurzaam tegemoet gekomen is aan de behoeften van de lokale bevolking. Zijn er neveneffecten? Het gebrek aan verantwoording ligt in het feit dat het niet de hulpverlener is die wordt afgestraft als een programma mislukt.

 

  1. Dezelfde problemen van R2P en ontwikkeling doen zich ook voor bij integratie

Ook het integratiebeleid in Vlaanderen is in het beste geval een voorbeeld van goede bedoelingen met averechts effect.

- Enerzijds heeft integratiebeleid emancipatorische bedoelingen. Anderzijds wordt de belevingswereld van de nieuwkomers niet gelijkwaardig geacht aan deze van de            ingezeten bevolking. Als voorbeeld: moslims en de kwestie hoofddoek.

- Het beoogde eindpunt van integratie is een copy / paste van de autochtone bevolking. Het gaat eigenlijk om assimilatie. Het integratiebeleid legt nadruk op taal als doel eerder dan middel. Terreinen die echt belangrijk zijn voor integratie zoals werkgelegenheid, onderwijs en huisvesting worden ondergeschikt gemaakt aan taal, die als een voorwaarde fungeert om mee te mogen doen.

- Bij al de goede bedoelingen worden de machtsverhoudingen vergeten. Er is een totaal gebrek aan inspraak van de bevolkingsgroepen aan wie het aanbelangt.

 

II.                Alternatieven? Het voorbeeld van Somaliland

 

Op zoek naar alternatieven keek Rutazibwa in haar doctoraatsverhandeling naar Somaliland; zij bezocht het land en onderzocht de manier waarop er aan vredesopbouw en staatsopbouw werd gewerkt en hoe de betrokkenen hun eigen succes verklaren. 

 

Historische toelichting: Somaliland, vroeger een Britse kolonie, ging in 1960 samen met Italiaans Somalia om het onafhankelijke Somalië te vormen. Na jaren burgeroorlog die uitmondde in de val van het Siad Barre regime begin jaren ’90, scheurde Somaliland zich af en verklaarde zich onafhankelijk in 1991. Als zelfstandig land heeft Somaliland zich stabiel, vredig en democratisch ontwikkeld met periodieke verkiezingen. Maar het wordt nog altijd niet erkend door de internationale gemeenschap als een onafhankelijk land.

 

Nochtans is Somaliland een succesverhaal, Somalilanders reiken zelf o.a. de volgende verklaringen aan:

- De rebellenbeweging die Somaliland ‘bevrijdde’ had  een vrij democratische structuur

- De staat die Somalilanders opbouwden onder leiding van de clanoudsten bevat een combinatie van traditionele  en westerse  structuren. Er is bewust een copy / paste van het westen ingebouwd, wegens belang om westerse erkenning en hulp te krijgen en om internationaal mee te kunnen doen met de andere landen.

- De opbouw werd ontworpen vanaf de basis, vanuit het lokaal en clanniveau naar een meerpartijenstelsel op het nationale niveau.

- Het geld voor de vredesopbouw kwam aanvankelijk hoofdzakelijk van de eigen bevolking en van de bevolking die verspreid buiten het land leeft (de diaspora). De bevolking kon dus verantwoording eisen over besteding van het geld.

- Er waren meerdere vredesconferenties; telkens was daarbij heel de bevolking (ongeveer 3 miljoen) rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken.

- in vergelijking met zuidelijk Somalië is Somaliland redelijk homogeen qua clanstructuur. (één grote clan met enkele kleinere)

- Na 2000 is er vanuit de internationale gemeenschap wel hulp gekomen voor de opbouw van de democratische staatstructuren en infrastructuur. Maar de hulp gaat niet naar de overheid, vermits het land niet internationaal erkend is. Het geld wordt via lokale en internationale organisaties in vele projecten geïnvesteerd, waardoor er veel geld ‘en cours de route’ blijft kleven (ca. 80% van het geld arriveert niet bij de eigenlijke bevolking, maar verdwijnt in overhead, corruptie, ...). Bijgevolg heeft de overheid, in vergelijking met andere ontwikkelingslanden, toch iets meer macht heeft om zelf prioriteiten voor zichzelf te formuleren alsook de verdere uitbouw van de staat vorm te geven.

 

III.             Conclusies voor onze eigen werkingen van ontwikkelingssamenwerking (OS)

 

1.      Belang van eigenaarschap / ownership. Hier wordt tegenwoordig meer aandacht aan besteed, maar in feite is het nog altijd de hulpverlener die doel en inhoud bepaalt. Hulpverlening laat dus eerder zelfmanagement toe dan zelfbeschikking. Eigenlijk kan de hulpverlener zo nog gemakkelijker de verantwoordelijkheid afschuiven in geval van eventuele mislukkingen.

2.      Wat met de projecten van de verenigingen OS (4de pijler)?

Die initiatieven ontstaan vaak of meestal uit persoonlijke contacten. Hoe groter de persoonlijke solidariteit, hoe groter de legitimiteit. Maar ook hier blijvend opletten voor de valkuilen van hulpverlening (zoals boven beschreven)!

3.      Het Westen heeft te weinig informatie om de echte lokale behoeften te begrijpen; het kan veranderingen niet op een echt verantwoorde manier aanturen, omdat het de gevolgen niet draagt van de beleidsbeslissingen die het vastlegt. Ons onderwijs en media, de  afstand, onze comfortabele situatie en vooroordelen verhinderen dit. Dus is meer bescheidenheid nodig en meer erkenning voor de eigen competenties van de lokale bevolking.

Meer erkenning ook voor de gunstige effecten van de migratie en de overdrachten (remittances) die de emigranten (diaspora) naar de thuislanden sturen en die veel meer bedragen dan de officiële budgetten OS.

4.      Het Westen moet kritisch zijn voor zichzelf en de eigen verantwoordelijkheden erkennen voor de terreinen die echt een verschil uitmaken: buitenlandse politiek, handelsbetrekkingen, landbouw- en visserijbeleid, CO2 uitstoot, klimaatverandering. Als de hulpverlenende staten en instituten op deze terreinen hun fouten en de verstrekkende effecten ervan zouden erkennen, zou dit veel meer bijdragen voor de ontwikkelingslanden.

 

IV.             Vragenronde.

            Het publiek diende vnl. schriftelijk vragen in. De vragen werden geclusterd.

 

Wat met de projecten van 4de pijler organisaties zoals de GROZ-verenigingen? de Stedenband Zemst-Sokone? Het zijn projecten met beperkt budget, die de keuzes uitleggen aan de bevolking en ondersteunen. De NGO’s versterken toch het middenveld?

In verband met Somaliland

·         U sprak vooral over de bovenstroom en de beperkte scope hiervan op ontwikkelingssamenwerking. Echter weinig over de onderstroom en de potentiële impact daarvan

·         Mogen we uit het succes van Somaliland en de homogene bevolkingssamenstelling ervan besluiten dat een “multiculturele” samenlevingsvorm een moeilijkere samenlevingsvorm is en grotere eisen stelt aan het staatsapparaat?

·         Wanneer men in landen die een etnische lappendeken zijn, de democratie van onder naar boven opbouwt, riskeert men dan geen versterking van separatistische tendensen?

Is het Afrikaans continent reeds matuur genoeg om het ‘zelfbeschikkingsrecht’ in het belang van het volk te organiseren en handhaven?    Ontwikkeling wordt immers ook gehinderd door de Afrikanen zelf.

Zie bv. Achille Nbembe (Cameroen Fr. VS. Zuid-Afrika) die schrijft: “Afrika heeft inertie en vraag naar hulp van buitenaf (Europa, VS, Azië) geïnterniseerd. Het fenomeen van de enorme migratie is een teken van het failliet van de onafhankelijkheid. …Meerdere Afrikaanse leiders zijn“prédateurs indigènes

Hoe kunnen we vanuit het gemeentelijk niveau het buitenlands en handelsbeleid van de Belgische  en Vlaamse overheid aansturen tot verandering?

 

Antwoord van Olivia Rutazibwa

-          Mijn uiteenzetting ging over de Nood-Zuid verhoudingen. Deze moeten loskomen van westerse modellen. Wie beslist? Voor wie? Voor hoe lang?

-          Kleinschalige projecten halen hun legitimiteit uit persoonlijke contacten en nabijheid bij de plaatselijke bevolking. 

-          Maar toch altijd beseffen dat hulpverlening nooit neutraal is. Het is van buitenaf heel moeilijk om zeker te zijn dat het initiatief beantwoordt aan de werkelijke lokale behoeften en om niet zelf als geldschieter ongewild het doel mee te bepalen. Vb: wij kunnen vanuit westen niet weten hoe best met kindsoldaten moet omgegaan worden.

-          Hulp mag geen werkgelegenheid ter plaatse – waaraan immens gebrek is – afnemen.

-          Voorbeeld: in Palestina probeert hulpverlening de plaatselijke ngo’s te versterken.  Blijkt dat de hulp vooral gaat naar niet-religieuze verenigingen die de stem van Europa vervoegen. Terwijl de religieuze ngo’s de meest positieve initiatieven ontwikkelen.

-          Is hulp vanuit Westen beter dan huidige praktijken van China? China is geen groter gevaar dan Europa was in verleden en heden, met de zogenaamde ethische bedoeling van de hulp. Nu hebben Afrikaanse landen wel grotere keuzevrijheid inzake partners.

-          In verband met financiële hulp: lokale politieke slagkracht versterken is vaak nuttiger. Van belang is de oorsprong van het geld: de mensen moeten verantwoording kunnen eisen. Is overigens ook zo in eigen land.

-          Ook in Somaliland zijn er veel subclans. Diversiteit op zich is nooit het probleem, wel welke politieke betekenis eraan gegeven wordt. Het probleem ligt in de politieke en sociale machtsverhoudingen waardoor bepaalde groepen niet kunnen participeren en dus niet meetellen. Deze machtsverhoudingen hebben meer invloed dan clan- of andere verdelingen op zich.

-          In het westen (hulpverlening) leeft nog altijd de arrogantie dat Afrika in afwachting van haar ‘maturiteit’ alleen geholpen wordt door hulp van buitenaf. Terwijl het westen zelf de scheve verhoudingen blijft voeden.  Overal ter wereld zijn er bij de bevolkingen mensen met capaciteiten en mensen die deze niet (voldoende) hebben.

-          Migratiebeleid wordt gevoerd vanuit grenzenbeleid, zonder grenzen zou het gros van het migratieprobleem zich niet eens stellen. Beter is heen-en-terug-migratie toe te laten.

 

 

Verslag opgemaakt door J. Goethals, co-voorzitter GROZ en voorzitter AZIZ, 9-04-2013;

gecorrigeerd door O. Rutazibwa, 11-04-2013.