Lezing van Evelien Wouters over Inburgering, Zemst, 9 maart 2005

“welke weg gaat een vreemdeling die zich moet aanpassen in een ander land?”

 

Eveline Wouters werkt al vele jaren voor de stad Antwerpen als expert op het gebied van diversiteit, inburgering en het “acculturatieproces” van nieuwkomers.

 

De uiteenzetting die zij gaf voor de leden van AZIZ en de belangstellenden uit Zemst, maakte veel indruk. De inhoud ervan is immers essentieel om de doelgroep van migranten en nieuwkomers te begrijpen en met hen om te gaan. Als we begrijpen wat ze doormaken, worden onze verwachtingen ten opzichte van hen realistischer en weten we beter wanneer en hoe we kunnen en moeten helpen. 

 

Josée Goethals heeft in 2005 een samenvatting van de uiteenzetting van mevr. Wouters op de weksite van AZIZ gezet. Maar sinds 2003 is J. Goethals ook voorzitter van de Werkgroep Oost-Europa van Pax Christi Vlaanderen. Als zodanig was zij één van de initiatiefnemers van een symposium in Antwerpen, 4 maart 2009, waarop mevrouw Wouters nogmaals over het thema van “aanpassen” sprak. Dit symposium was de afsluiting van een project dat de Werkgroep ontwikkeld had met Tsjetsjeense en Wit-Russische jonge nieuwkomers. Het symposium ging over ‘identiteit, integratie en geweldpreventie’’

 

Dit symposium was de aanleiding om de oudere tekst op de website aan te passen. De tekst die volgt is een samenvatting van de beide lezingen.

 

Het woord “acculturatie” betekent het zich aanpassen aan een nieuwe cultuur. Het is een analogie met het woord “acclimatisatie”, dat zich aanpassen aan een nieuw klimaat betekent.

Het woord “acculturatie” past beter bij wat nieuwkomers doormaken dan het woord “integratie”, omdat dit laatste niet alle facetten omvat.

“Zich integreren” betekent immers volledig opgaan in een ander sociaal of cultureel bestel. Integratie is het eindpunt van een acculturatieproces, terwijl “accultureren” het volledige proces weergeeft vanaf het moment van de eerste kennismaking met de nieuwe samenleving tot aan het vinden van een eigen weg hierin.

 

Elke migrant, of die nu bewust kiest om elders een nieuw leven op te bouwen, of juist hals over kop moet vertrekken voor gevaar, maakt een bepaalde ontwikkeling door tijdens de voorbereiding van vertrek, de reis, de aankomst en de periode na aankomst. Deze ontwikkeling is weergegeven in een acculturatiecurve, uitgewerkt door Hofstede[1].

 

 

 

De eerste fase is de euforie. De migrant of vluchteling is opgelucht en blij, omdat hem/haar een nieuwe toekomst wacht of omdat er een einde komt aan het gevaar.

Deze periode van euforie kan echter van korte duur zijn. De persoon in kwestie merkt gauw dat niet alles van een leien dakje loopt.

 

Een asielzoeker heeft vaak als eerste bekommernis: vrij zijn van gevaar. Vaak heeft hijzelf ook geen keuze gemaakt voor het aankomstland, maar werd hij er door de ‘trafiqueurs’ afgezet. Velen hebben last van onverwerkte stress en trauma’s, opgelopen in het thuisland.

Enkele voorbeelden: trauma’s van bombardementen, beschietingen of persoonlijke vervolging; zorgen over de achtergelaten familie, vrienden, have en goed,  zorg of de reisdocumenten zullen aanvaard worden, zorg over de afbetaling van de reiskosten of het geld dat familie en kennissen leenden om de vlucht mogelijk te maken ….

Kandidaat-vluchtelingen komen bij aankomst terecht in een opvangcentrum, waar hun meestal een lange periode van niets doen wacht (ze mogen niet werken tot er een gunstige beslissing in de procedure genomen is). Ze moeten in een centrum blijven, waar geen privacy is. Door de grote drukte daar komt men niet tot rust. Er heersen leefregels die misschien haaks staan op wat de persoon vroeger gewend was. Daarbovenop komt de angst voor de interviews door de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelignen en Staatlozen (CGVS), de angst om niet geloofd en dus terug gestuurd te worden. Als die beslissing lang op zich laat wachten, komt daar nog eens de stress bij van een aanslepende en uitzichtloze procedure.

 

Ook mensen die naar hier komen in het kader van gezinshereniging of studie maken stress mee.

Zij ervaren hoe moeilijk het is om zichzelf uit te drukken, de beleving van godsdienst kan anders zijn of de leefregels voor mannen en vrouwen …. In onze samenleving is niet alles zo duidelijk en rechtlijnig voor mensen uit een andere cultuur. Bij de ambtenaren en politici is de hiërarchie duidelijk, maar bij de burgers is de omgang schijnbaar familiair. Politici zijn direct aanspreekbaar, wat in veel landen ondenkbaar is. Er is een heel netwerk van organisaties en vrijwilligers die zich  belangloos inzetten om vluchtelingen te helpen, maar dat fenomeen is voor velen vreemd en beangstigend, onbetrouwbaar zelfs, omdat er in hun herkomstland een grote vermenging tussen hulporganisaties en staatsdiensten en dus geen onpartijdigheid bestaat.

 

Vanaf het moment dat de nieuwkomer worstelt met deze kwesties, bevindt hij/zij zich in de tweede fase, de fase van de cultuurschok. Er is geen houvast meer en de persoon begint aan alles te twijfelen. Kenmerken van een cultuurschok zijn o.a. moeite om zich te concentreren, problemen met geheugen, depressie, schuldgevoelens ten opzichte van de personen die men achterliet, heimwee en allerlei zwarte gedachten. Dit zorgt vaak voor psychosomatische klachten: hoofdpijn, verstoorde slaap, verstoorde spijsvertering, lage rugpijn, enz.

 

Uit onderzoek in o.a. Canada en Schotland, zo verklaart Wouters, blijkt dat de gevolgen heel lang kunnen doorwerken, zelfs over generaties heen. De website van Citizenship and Immigration Canada (www.cic.gc.ca) besteedt veel aandacht aan wat een immigrant mag verwachten en hoe hij zich kan voorbereiden. De fasen van acculturatie worden op de website uitgelegd, evenals de werking van de instanties waar de nieuwkomer mee zal geconfronteerd worden.

 

Vlaanderen (België) stelt precies in de fase van cultuurschok zware eisen aan de asielzoeker of migrant: een nieuwe taal leren, administratieve verplichtingen nakomen, een beroepsopleiding volgen, werk vinden enz. Het is uiteraard niet de bedoeling om in die fase niets te organiseren en te eisen, maar de inrichtende instanties en de ingezeten bevolking mogen niet verwachten dat alle inspanningen bij iedereen snel zullen renderen. De uitspraak “Zij moeten zich maar aanpassen” komt dus vanuit een positie van onbegrip. Veel Belgen beseffen niet hoeveel inspanningen de nieuwkomers al doet. Bovendien eisen veel Belgen dat de nieuwkomers of allochtonen alles van de taal en cultuur moeten overnemen.

 

In de derde fase van de acculturatie verwerven de nieuwkomers de kracht om een nieuw leven op te bouwen. Deze fase is dus zeer belangrijk voor de toekomstkansen.

Bijna altijd moet de nieuwkomer vertrekken vanuit een lagere status dan in zijn of haar herkomstland. Het vroegere sociale netwerk is weggevallen, de diploma’s en opgedane competenties worden niet erkend. Het blijft lange tijd zeer moeilijk om in de nieuwe taal precies uit te drukken wat men wil, er moet een nieuw beroep aangeleerd worden dat meestal naar een lagere functie leidt, de gewoonten van het aankomstland zijn anders …

Vaak is de acculturatie van mensen met een hogere opleiding en vroegere hogere posities zeer moeilijk. Anderzijds hebben velen de kracht om zich aan te passen aan de lagere positie. Als compensatie leggen zij hun meestal op de kinderen en verwachten van deze dat zij terug de sociale ladder opklimmen.

Analfabeten of anders gealfabetiseerden moeten niet alleen een taalachterstand inhalen maar ook heel wat attitudes aanleren om op een redelijke wijze mee te kunnen in de nieuwe samenleving.

 

De fase van de acculturatie is dus zeer belangrijk. Ze wordt in hoge mate beïnvloed door het maatschappijmodel van het herkomstland. Voor de goede acculturatie is een ontmoeting tussen de maatschappijmodellen nodig.

Het model van het herkomstland beïnvloedde de cultuur en subculturen van de migrant; het gaat ook bepalen hoe men zich in het gastland gaat aanpassen.

 

70% van de wereldbevolking komt uit een maatschappijmodel waarin de (groot)familie primeert. De binding is onvoorwaardelijk. Als surrogaat zoekt men de mensen van de eigen groep. De invloed gaat heel ver: afspraken tegenover de familie / de eigen groep primeren boven afspraken tegenover buitenstaanders, hulpverleners. Een voorbeeld: de nieuwkomer heeft een afspraak met de hulpverlening, maar krijgt onverwacht bezoek van familie of groepsgenoten. Volgens zijn cultuur moet hij deze gastvrij ontvangen en gaat hij dus niet naar de afspraak.

 

Onze westerse maatschappij is gekenmerkt door individualisme, persoonlijke vrijheid en persoonlijke verantwoordelijkheid.

 

Een derde model is een mengvorm van de beide vorige modellen: het individu moet zich ontplooien in functie van de staat (bijvoorbeeld een totalitaire staat). Hij is gewend aan dwang en verplichtingen. Hij weet niet hoe met persoonlijke vrijheid om te gaan. Hij die vroeger afhankelijk was van beslissingen die buiten en boven hem gebeurden, heeft moeite om zich persoonlijk verantwoordelijk te voelen en zijn eigen ontwikkelingsproces in handen te nemen.  

 

De vierde fase is deze van evenwicht. Bij evenwicht zijn er 3 mogelijke houdingen:

a = afstandelijke houding ("ik trek mijn plan", "elk zijn ding"). De nieuwkomer breekt met de cultuur van het gastland en gaat zijn eigen leven.

b = gezonde houding van uitwisseling en evenwicht tussen vroeger en nu

c = assimilatie. De nieuwkomer breekt met de oude thuiscultuur.

Opgelet: bij tegenslagen kan assimilatie gemakkelijk wankelen. Dan gaat de nieuwkomer soms terug naar de fase van de cultuurschok.

 

 

Conclusie: de huidige kennis over het acculturatieproces moet worden toegepast op het migratiebeleid, zodanig dat wij met z’n allen kunnen komen tot een harmonieuze(re) samenleving.

 

 

 

 

 



[1] Acculturatiecurve naar Furnham en Bochner (1986), uitgewerkt door G.J.G. Hofstede in Allemaal andersdenkenden. Omgaan met cultuurverschillen, Contact (blz. 159), Amsterdam, 1993